Wapens in de middeleeuwen waren onder meer zwaarden, speren, bijlen, bogen, kruisbogen en knotsen. Welk wapen iemand gebruikte, hing af van de tijd, de plaats en zijn rol in de strijd. Een ridder te paard vocht bijvoorbeeld anders dan een soldaat te voet.
Niet alle middeleeuwse wapens bestonden tegelijk of waren overal gebruikelijk. Sommige waren bedoeld om van dichtbij te vechten, andere om een tegenstander op afstand te raken.
Welke soorten wapens waren er in de middeleeuwen?
Middeleeuwse wapens kun je indelen naar de manier waarop ze werden gebruikt. Dit zijn de bekendste groepen:
- Slagwapens: bijvoorbeeld bijlen en knotsen. Daarmee sloeg een strijder op zijn tegenstander.
- Steekwapens: bijvoorbeeld speren en lansen. De punt werd gebruikt om een tegenstander op afstand te houden of te raken.
- Snij- en steekwapens: zwaarden en dolken konden, afhankelijk van hun vorm, voor beide worden gebruikt.
- Afstandswapens: bogen en kruisbogen schoten pijlen of korte schichten af.
- Belegeringswapens: grote werktuigen wierpen bijvoorbeeld stenen naar muren of verdedigers.
De groepen overlappen soms. Een goedendag kon bijvoorbeeld worden gebruikt om te slaan én te steken. Ook de plek van het gevecht maakte verschil: een lange speer gaf bereik op een open veld, maar was minder handig in een krappe ruimte.
Het zwaard: wapen en statussymbool
Het zwaard is een van de bekendste wapens uit de middeleeuwen. Er waren verschillende vormen: sommige zwaarden werden met één hand gebruikt, andere met twee handen. Met een zwaard kon een strijder houwen en, afhankelijk van de vorm van de punt, ook steken.
Veel zwaarden hadden een pareerstang tussen de kling en de greep. Die hielp de hand te beschermen tegen het wapen van een tegenstander. Aan het uiteinde van de greep zat vaak een knop die hielp bij de balans en voorkwam dat de hand van het handvat gleed.
Een zwaard was niet het enige wapen van een ridder. Ridders konden ook een lans, dolk, bijl of knots gebruiken. Een versierd zwaard kon daarnaast iets zeggen over de status van de eigenaar.
Speren, lansen en andere wapens met een lange steel
De speer bestond meestal uit een houten schacht met een metalen punt. Een strijder kon ermee steken terwijl hij meer afstand hield dan met een zwaard. Sommige speren werden ook geworpen. Soldaten te voet konden met speren samen een groep vormen en zo aanvallers op afstand proberen te houden.
Een lans was een lang steekwapen dat onder meer door ruiters werd gebruikt. Een ruiter kon de snelheid van zijn paard benutten bij de aanval. Zo’n wapen was minder geschikt voor een gevecht van dichtbij, waarbij de strijder kon overstappen op een korter wapen.
Er waren ook steelwapens die verschillende functies combineerden. Een hellebaard had bijvoorbeeld een lange steel met een punt en een bijlblad. Daarmee kon een soldaat steken en slaan.
Bijlen, knotsen en de goedendag
Een bijl had een metalen blad aan een steel. Strijdbijlen kwamen in verschillende vormen voor en konden met één of twee handen worden gebruikt. Een slag met een bijl kon veel kracht overbrengen, al moest de gebruiker ook rekening houden met zijn bereik en beweging.
Een knots was een slagwapen met een zware kop. Die kop kon van hout of metaal zijn en soms voorzien zijn van metalen punten. Een slag kon ook iemand met bescherming verwonden, zonder dat het wapen die bescherming hoefde te doorboren.
De goedendag was een stevig houten wapen met aan het uiteinde een metalen punt. Je kon ermee slaan en steken. Het wapen wordt vooral verbonden met strijders te voet in de Lage Landen.
Een morgenster is een knots met punten op de kop. Die wordt vaak verward met een vlegel: een wapen waarbij een slagkop met een ketting of een ander beweeglijk deel aan een steel vastzit. Niet elke knots met stekels had dus een ketting. Afbeeldingen van zulke wapens zijn bekend, maar hoe vaak bepaalde soorten vlegels echt werden gebruikt, is niet altijd duidelijk.
Pijl-en-boog en kruisboog
Met een boog kon een schutter pijlen vanaf afstand afvuren. De schutter spande de pees met de hand en liet die los om de pijl weg te schieten. Een vaardige boogschutter had oefening nodig om goed te kunnen richten en herhaaldelijk te schieten.
Een kruisboog had een boog die dwars op een houten kolf was bevestigd. De gespannen pees bleef vastzitten totdat de schutter de trekker bediende. Een kruisboog kon krachtig zijn, maar het opnieuw spannen kostte tijd. Voor sommige kruisbogen was daarbij een hulpmiddel nodig.
Geen van beide wapens werkte altijd op dezelfde manier tegen bescherming. De afstand, het type pijl of schicht en het soort harnas maakten verschil.
Wapens tegen bepantsering en vestingmuren
Wie een goed beschermde tegenstander tegenover zich had, kon proberen een opening in diens uitrusting te raken. Een dolk of een zwaard met een scherpe punt kon daarbij van pas komen. Met een bijl of knots kon een strijder juist een harde slag uitdelen. Een harnas maakte iemand dus niet onkwetsbaar, maar bood wel bescherming.
Voor een aanval op een vesting waren grotere wapens nodig. Een blijde wierp bijvoorbeeld zware stenen met behulp van een lange arm. Ook werden stormrammen gebruikt om tegen poorten te beuken. Zulke werktuigen vergden veel mensen en voorbereiding en waren niet bedoeld voor een gewoon gevecht tussen twee strijders.
In de late middeleeuwen verschenen in Europa ook vuurwapens, waaronder vroege kanonnen en handvuurwapens. Die vervingen zwaarden, speren en bogen niet meteen: verschillende soorten wapens bleven naast elkaar in gebruik.
Veelgestelde vragen over middeleeuwse wapens
Welk wapen werd het meest gebruikt?
Dat is niet voor alle plaatsen en voor de hele middeleeuwse periode met zekerheid te zeggen. De speer was wel een veelgebruikt wapen. Hij was eenvoudig van vorm en bruikbaar voor strijders te voet.
Is een schild ook een wapen?
Een schild was vooral een beschermingsmiddel. Een strijder gebruikte het om slagen, steken en projectielen tegen te houden. Het hoort daarom bij de uitrusting, maar niet bij de aanvalswapens zoals een speer of zwaard.
Hadden gewone mensen ook wapens?
Ja. Niet alleen ridders droegen of gebruikten wapens. Ook andere strijders konden bijvoorbeeld speren, bogen, bijlen of de goedendag gebruiken. Wat iemand had, verschilde per plaats, tijd en beschikbare middelen.
Een middeleeuws wapen herken je het best aan de combinatie van vorm en gebruik. Een punt kon bedoeld zijn om te steken, terwijl een zware kop juist draaide om de kracht van een slag.