De tijdlijn van de middeleeuwen loopt meestal van ongeveer 500 tot 1500. Deze periode wordt vaak verdeeld in de vroege middeleeuwen, de hoge middeleeuwen en de late middeleeuwen. De jaartallen zijn richtlijnen: veranderingen vonden niet overal tegelijk plaats.
Middeleeuwen tijdlijn in één overzicht
| Periode | Jaartallen | Ontwikkelingen |
|---|---|---|
| Vroege middeleeuwen | Ongeveer 500 tot 1000 | Vooral landbouw, verspreiding van het christendom en ontstaan van feodale verhoudingen. |
| Hoge middeleeuwen | Ongeveer 1000 tot 1300 | Groei van handel en steden, naast meer invloed van burgers en bestuurders. |
| Late middeleeuwen | Ongeveer 1300 tot 1500 | Verdere ontwikkeling van steden en staten, maar ook economische crises en de pest. |
De overgang tussen de hoge en de late middeleeuwen wordt niet altijd op hetzelfde moment gelegd. Soms begint de late periode al rond 1270.
Het begin en einde van de middeleeuwen
Op een tijdlijn volgen de middeleeuwen op de oudheid. Als beginpunt wordt vaak 476 genoemd, het jaar waarin het West-Romeinse Rijk ten einde kwam. In het onderwijs is 500 een gebruikelijke, afgeronde grens.
Ook het einde verschilt per indeling. Soms eindigen de middeleeuwen rond 1450, soms rond 1500. Daarna begint de nieuwe tijd. Zulke grenzen helpen om de geschiedenis overzichtelijk te maken, maar betekenen niet dat de samenleving van de ene op de andere dag veranderde.
De belangrijkste veranderingen op volgorde
In het eerste deel van de tijdlijn was landbouw in West-Europa de basis van het bestaan. Veel mensen leefden op het platteland. Het christendom verspreidde zich verder en kloosters kregen een plaats in de samenleving. Ook ontstonden feodale verhoudingen tussen bestuurders.
Later namen handel en ambachten toe. Steden groeiden en kregen meer zelfstandigheid. In dezelfde brede periode vonden kruistochten plaats en groeiden sommige gebieden uit tot sterker bestuurde staten.
In het laatste deel van de middeleeuwen bleven steden en bestuur zich ontwikkelen. Tegelijk kregen delen van Europa te maken met economische problemen en de pest. Die gebeurtenissen horen dus niet bij de hele periode, maar vooral bij het latere deel van de tijdlijn.
Hoe passen de middeleeuwen in de tijdvakken?
In de indeling die veel Nederlandse scholen gebruiken, vallen de middeleeuwen uiteen in twee tijdvakken:
- Tijd van monniken en ridders: ongeveer 500 tot 1000. Dit komt overeen met de vroege middeleeuwen.
- Tijd van steden en staten: ongeveer 1000 tot 1500. Dit omvat zowel de hoge als de late middeleeuwen.
De twee indelingen beschrijven dus dezelfde eeuwen, maar delen ze anders op. Je kunt de grens rond 1000 gebruiken om de vroege periode te onderscheiden van de latere groei van steden en handel.