De vroege middeleeuwen zijn de periode van ongeveer 500 tot 1000. In West-Europa ontstonden na het verdwijnen van het West-Romeinse Rijk nieuwe koninkrijken, groeide de invloed van het christendom en leefden veel mensen van de landbouw. Ook in het gebied dat nu Nederland is, veranderden bestuur, geloof en handel.

De periode wordt soms de donkere middeleeuwen genoemd. Dat betekent niet dat er niets gebeurde: archeologische vondsten en geschreven teksten laten juist een samenleving zien die volop veranderde.

Wanneer waren de vroege middeleeuwen?

De vroege middeleeuwen beginnen meestal rond 500 en eindigen rond 1000. Die grenzen zijn afspraken die historici gebruiken om het verleden in te delen. Mensen merkten niet op een bepaalde dag dat een nieuw tijdvak was begonnen.

Een gebeurtenis die vaak als beginpunt wordt genoemd, is de val van het West-Romeinse Rijk in 476. Het Romeinse bestuur verdween uit grote delen van West-Europa, maar Romeinse gebruiken en gebouwen verdwenen niet overal tegelijk. Na ongeveer 1000 beginnen volgens de gebruikelijke indeling de hoge middeleeuwen.

De indeling verschilt soms per vakgebied. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gebruikt bijvoorbeeld ook kortere deelperioden om archeologische vondsten nauwkeuriger te beschrijven.

Nieuwe koninkrijken na de Romeinse tijd

Na het verdwijnen van het West-Romeinse bestuur kwamen in West-Europa verschillende koninkrijken op. Een van de machtigste was het Frankische Rijk. Frankische koningen breidden hun gebied uit door oorlog te voeren en bondgenoten aan zich te binden.

De Merovingen vormden een vroege Frankische koningsfamilie. Een bekende koning uit deze familie was Clovis. Hij werd christen, wat de band tussen de Frankische koningen en de christelijke kerk versterkte.

Later kwam de macht bij de Karolingen te liggen, de familie waartoe Karel de Grote behoorde. Hij breidde het Frankische Rijk verder uit. Na zijn dood werd het rijk verdeeld onder zijn opvolgers. De grenzen en machtsverhoudingen bleven daardoor veranderen.

Deze ontwikkelingen verliepen niet overal hetzelfde. In het oosten bleef het Oost-Romeinse of Byzantijnse Rijk bestaan. Rond de Middellandse Zee ontstonden ook gebieden onder islamitisch bestuur. West-Europa was dus maar één deel van de wereld in deze periode.

De Karolingische tijd en Karel de Grote

De Karolingische tijd is het deel van de vroege middeleeuwen waarin de Karolingische familie over het Frankische Rijk heerste. Karel de Grote is de bekendste vorst uit deze familie. Zijn rijk omvatte grote delen van West-Europa, waaronder gebieden die nu bij Nederland horen.

Om zijn rijk te besturen werkte Karel samen met plaatselijke machthebbers en geestelijken. Reizen en berichten versturen kostten veel tijd. Een vorst kon daarom niet overal zelf aanwezig zijn en was afhankelijk van mensen die namens hem optraden.

Aan het hof van Karel en in andere centra kreeg onderwijs aandacht. Geleerden bestudeerden teksten en er werden boeken overgeschreven. Deze opleving van kennis en kunst wordt de Karolingische renaissance genoemd. Ze laat zien dat de vroege middeleeuwen niet alleen een tijd van oorlog en verval waren.

Landbouw en handel in de vroege middeleeuwen

Veel mensen woonden op het platteland en werkten in de landbouw. Ze verbouwden voedsel en hielden dieren. Een deel van de grond hoorde bij een groot landgoed, waar boeren werkten en een deel van hun opbrengst moesten afstaan aan de heer van het landgoed.

Niet iedere boer had dezelfde vrijheid. Sommige mensen waren vrij, terwijl anderen aan een heer of landgoed waren gebonden. Ook kwam slavernij voor. Hoe mensen leefden en werkten, verschilde per streek en veranderde in de loop van de tijd.

Na de Romeinse tijd verloren veel steden in West-Europa inwoners en betekenis. Toch verdwenen handel en ambachten niet. Op markten en in handelsplaatsen wisselden mensen onder meer gebruiksvoorwerpen, voedsel en grondstoffen uit. Dorestad, bij het huidige Wijk bij Duurstede, was een bekende handelsplaats in de vroege middeleeuwen.

Een landgoed kon veel zelf produceren, maar was niet altijd volledig onafhankelijk. Ook mensen op het platteland hadden soms producten of materialen nodig die van elders kwamen.

Geloof en kennis veranderden

Het christendom verspreidde zich tijdens de vroege middeleeuwen verder door West-Europa. Missionarissen probeerden mensen tot het christendom te bekeren. In de gebieden die nu bij Nederland horen, zijn Willibrord en Bonifatius bekende voorbeelden van zulke geloofsverkondigers.

Die overgang ging niet overal even snel. Oude gebruiken verdwenen niet direct en nieuwe overtuigingen kregen per streek op een andere manier vorm. Koningen en andere machthebbers konden de verspreiding van het christendom steunen, maar bekering kon ook onder dwang plaatsvinden.

In kloosters werden boeken bewaard en met de hand overgeschreven. Daardoor zijn teksten uit zowel de oudheid als de vroege middeleeuwen doorgegeven.

Waarom heten ze soms de donkere middeleeuwen?

De naam ‘donkere middeleeuwen’ komt onder meer voort uit het idee dat er voor delen van deze periode minder geschreven bronnen zijn dan voor sommige andere tijden. Daardoor weten historici over bepaalde plaatsen en groepen mensen minder. Dat betekent niet dat er helemaal geen bronnen zijn.

Archeologen onderzoeken bijvoorbeeld resten van huizen, graven, munten en voorwerpen. Die vondsten kunnen laten zien wat mensen maakten, waarmee ze handel dreven en hoe ze hun doden begroeven. Geschreven bronnen geven weer informatie over bijvoorbeeld bestuur en geloof, al vertellen ze vaak meer over machthebbers dan over gewone boeren.

Het woord ‘donker’ kan daardoor een verkeerd beeld oproepen. Er waren oorlogen en machtswisselingen, maar ook handel, kunst en onderwijs. De vroege middeleeuwen waren geen periode waarin alle kennis verdween of de samenleving stilstond.

Veelgestelde vragen over de vroege middeleeuwen

Wat gebeurde er in de vroege middeleeuwen?
In West-Europa ontstonden nieuwe koninkrijken, waaronder het Frankische Rijk. Het christendom verspreidde zich, veel mensen leefden van de landbouw en op verschillende plaatsen bleef handel bestaan.

Hoe zag het huidige Nederland er in deze tijd uit?
Het gebied bestond nog niet als land met de huidige grenzen. Er waren nederzettingen, landbouwgebieden en handelsplaatsen. Verschillende machthebbers kregen er in de loop van de periode invloed.

Wat gebeurde er aan het einde van de vroege middeleeuwen?
Het Frankische Rijk was uiteengevallen in gebieden met verschillende heersers. Ook kwamen aanvallen en handelsreizen van Vikingen voor. Rond 1000 laat de gebruikelijke indeling de hoge middeleeuwen beginnen, al veranderde het leven niet overal op hetzelfde moment.

Wie de vroege middeleeuwen bekijkt, ziet vooral geleidelijke veranderingen: Romeinse invloeden bleven bestaan, terwijl nieuwe machten en gebruiken vorm kregen.

0 Shares:
You May Also Like