Een aquaduct van de Romeinen was een waterleiding die water van een bron naar een stad of legerkamp bracht. Het water stroomde meestal door een kanaal dat langzaam afliep. Bogen over een dal zijn het bekendste beeld, maar een groot deel van de Romeinse aquaducten liep onder de grond.
De Romeinen gebruikten het aangevoerde water onder meer voor drinkwater, fonteinen en badhuizen. De Pont du Gard in Frankrijk is een beroemd overblijfsel. Ook bij Nijmegen zijn sporen gevonden van een Romeinse waterleiding.
Hoe werkte een aquaduct van de Romeinen?
Een Romeins aquaduct begon bij een waterbron die hoger lag dan de plek waar het water nodig was. Door het hoogteverschil kon het water vanzelf stromen. Daarvoor moest de bodem van het kanaal over een lange afstand iets aflopen.
De bouwers maten de route zorgvuldig op. Een kanaal dat te vlak liep, voerde het water slecht af. Bij een te steile helling kon het water juist te snel stromen en het kanaal beschadigen. Daarom volgde een aquaduct vaak een langere route langs de hellingen, in plaats van de kortste weg naar de stad.
Een waterleiding kon uit verschillende onderdelen bestaan:
- Een inlaat bij een bron of andere plek waar water werd opgevangen.
- Een kanaal of goot waardoor het water naar zijn bestemming stroomde.
- Een tunnel om een heuvel te doorkruisen.
- Een brug of dam om een laagte over te steken.
- Een verdeelbekken om het water bij aankomst naar verschillende plekken te leiden.
Niet elk aquaduct zag er hetzelfde uit. De bouwers pasten de route en de materialen aan het landschap en de beschikbare middelen aan.
Waarom hadden Romeinse aquaducten bogen?
Bogen hielpen om een waterkanaal op hoogte te houden wanneer het een dal moest oversteken. Zo kon het kanaal ook aan de andere kant weer met een kleine helling verder lopen. De bogen droegen dus niet alleen een brug, maar vooral de goot of het kanaal bovenop.
Waar het mogelijk was, lieten de Romeinen het water ondergronds lopen. Dat beschermde de leiding tegen beschadiging en hielp om het water schoon te houden. Een heuvel kon worden doorsneden met een tunnel. Bij een laagte werd soms ook een aarden dam gebruikt.
Voor sommige dalen gebruikten bouwers een omgekeerde sifon. Daarbij ging het water door afgesloten leidingen eerst naar beneden en daarna door de waterdruk weer omhoog. Aan de andere kant kwam het wel lager uit dan waar het was begonnen.
Waar gebruikten de Romeinen het water voor?
Aquaducten brachten water naar plaatsen waar plaatselijke bronnen en putten niet altijd genoeg opleverden. Eenmaal aangekomen kon het water vanuit een verdeelbekken via leidingen verder worden verspreid.
Een deel ging naar openbare fonteinen, waar inwoners water konden halen. Ook badhuizen en sommige particuliere gebouwen kregen water. Verder kon het worden gebruikt voor werkzaamheden en om afvoerkanalen door te spoelen.
De aanleg van een aquaduct betekende niet dat iedereen thuis een kraan had. Wie geen eigen aansluiting had, haalde water bij een openbare fontein of gebruikte een andere waterbron.
De Pont du Gard in Frankrijk
De Pont du Gard laat goed zien hoe de Romeinen een dal overstaken. Dit bouwwerk met meerdere rijen stenen bogen ligt bij Nîmes in Frankrijk. Bovenop liep het kanaal waardoor water werd vervoerd.
De brug was een onderdeel van een langer aquaduct. Dat voerde water naar de Romeinse stad Nemausus, het huidige Nîmes. De hele waterleiding was ongeveer 50 kilometer lang. Het zichtbare bouwwerk over het dal was dus maar één deel van de route.
De Pont du Gard werd in de eerste eeuw na Christus gebouwd. De brug is ongeveer 49 meter hoog en behoort tot de bekendste Romeinse aquaducten die bewaard zijn gebleven.
Het Romeinse aquaduct bij Nijmegen
Bij Nijmegen zag een Romeinse waterleiding er heel anders uit dan de Pont du Gard. Vanuit bronnen in de heuvels bij Berg en Dal werd water richting het Romeinse legerkamp op de Hunnerberg geleid. Het water liep door houten goten, onder meer over aarden dammen en door gegraven dalen.
De houten goten zijn voor zover bekend vergaan. In het landschap zijn nog wel dammen en kunstmatige dalen zichtbaar die met de waterleiding in verband worden gebracht. Archeologen vonden bij werkzaamheden aan de Bosweg ook sporen in de grond die volgens hen op de route van het aquaduct wijzen.
Over de ouderdom van sommige grondwerken en de precieze route is discussie geweest. De vondst bij de Bosweg helpt om die route beter te begrijpen, maar laat niet de hele waterleiding zien.
Onderhoud en waterkwaliteit
Een aquaduct moest worden onderhouden om water te blijven vervoeren. In een kanaal konden zand en andere deeltjes achterblijven. Ook kon kalk zich aan de binnenkant vastzetten. Als er te veel materiaal ophoopte, werd de doorgang smaller en stroomde er minder water door.
Onderhoudswerkers konden delen van een leiding inspecteren en schoonmaken. Ook beschadigingen aan kanalen, goten en bruggen moesten worden hersteld. Dat was vooral belangrijk op plekken waar de waterleiding een lange afstand aflegde of moeilijk bereikbaar was.
Een afgedekt kanaal hielp om vuil buiten te houden. Toch maakte een aquaduct water niet automatisch veilig om te drinken. De kwaliteit hing onder meer af van de bron en van wat onderweg in het water terechtkwam.
Veelgestelde vragen over aquaducten van de Romeinen
Is een aquaduct hetzelfde als een brug?
Niet helemaal. Een Romeins aquaduct was de hele waterleiding, van de waterinlaat tot de bestemming. Een brug kon daarvan deel uitmaken als het kanaal een dal moest oversteken.
Stroomde het water in een Romeins aquaduct vanzelf?
Meestal wel. Het kanaal liep langzaam af, zodat de zwaartekracht het water van een hoger gelegen bron naar een lagere bestemming liet stromen.
Zijn er Romeinse aquaducten in Nederland?
Bij Nijmegen zijn sporen gevonden van een Romeins aquaduct. Daar horen geen hoge stenen bogen bij: de waterleiding bestond uit houten goten en liep onder meer over aarden dammen.
Wie een Romeins aquaduct bekijkt, ziet daarom soms een stenen brug en soms alleen veranderingen in het landschap. In beide gevallen draait het om dezelfde oplossing: water over een zorgvuldig gekozen route naar een plek brengen waar het nodig was.